Samuel Oum Gouet: Tussen trots en treurnis

Dit artikel verscheen in de Geel & Rood "De Keizer" uit seizoen 2021-22 Tekst door Geert Clerbout, Foto's door Leen Van de Sande

Trillend van opwinding trok hij in januari naar de Afrika Cup, in eigen land. Het werden weken van groot sentiment. Er was trots, want Kameroen swingde, en haalde de halve finale. En er was treurnis, want voor de achtste finale tegen de Comoren stierven acht mensen toen ze het stadion probeerden binnen te geraken. De monoloog van Samuel Oum Gouet (24), middenvelder met een leeuwenhart.


“Ik was net achttien geworden toen ik voor het eerst dat prachtige truitje van Kameroen mocht aantrekken. Het is onmogelijk om onder woorden te brengen wat het met je doet als je als Afrikaanse jongen op die leeftijd mag uitkomen voor je land. Je bent de trots van je familie, van je vrienden, van je wijk en van je land. Van iedereen, eigenlijk.”


“Het was een vriendschappelijke wedstrijd tegen Rwanda. Voor de wedstrijd hield ik me nog sterk, maar toen ik voor het eerst mocht meezingen met het volkslied, overviel me iets gróóts. Het besef drong ten volle door: ik sta in de nationale ploeg! Dat gevoel overvalt me elke keer weer. De hymne die uit de boxen spat, mijn ploegmaats en ik in één grote omhelzing… Ik wil dan huilen van geluk.”


“Het is voor mij de grootste eer die bestaat, spelen voor Kameroen, maar met de eer komt ook de druk, de énorme druk. Je moet weten: de nationale ploeg, dat is zoals soldaten die ten oorlog trekken. Wij spelen niet voor het geld, niet voor de roem, niet voor een transfer. Neen, wij zijn soldaten, soldaten die voor de eer van het land spelen. Afrika heeft zijn problemen, Kameroen ook. Maar speelt de nationale ploeg, dan is iedereen verenigd. Dan worden alle zorgen vergeten, verdwijnen de twisten en regeert de eenheid. Dat zie je overal in Afrika: voetbal overstijgt politiek.”


HOOP VOOR HET DORP

“Ik ben opgegroeid in Melen, een gehucht in één van de buitenwijken van Yaoundé, onze hoofdstad. Ik heb er één zus, en heel veel neven en nichten. Hen noem ik ook mijn broers en zussen. Zo gaat dat: we zijn één grote familie.” “We hadden weinig, maar we hadden wel elkaar. En we vonden altijd een manier om te voetballen. Als we geluk hadden, dan vonden we een bal. En vonden we die niet, dan voetbalden we met lege flessen. In de gietende regen of onder een loden zon: dat maakte niet uit.” “Ik had al op jonge leeftijd geluk: ik werd opgemerkt. Een zondagskind, zo je wil. Elk jaar steeg ik een niveau, en op mijn zestiende begon ik erin te geloven: zou het écht kunnen? Ik speelde toen al in eerste klasse, een beetje later volgde de nationale ploeg. En op mijn negentiende maakte ik de oversteek naar SC Rheindorf Altach in Oostenrijk. Mijn eerste wedstrijd daar zal me altijd bijblijven, want toen besefte ik: het is me gelukt! Europa…” “Nu, Melen zit voor altijd in mijn hart. Zodra ik vakantie heb, keer ik terug naar het dorp. Elke kleine jongen daar wil het maken als voetballer in Europa, maar het is zó moeilijk. Kinderen in Kameroen hebben niet dezelfde kansen als hun leeftijdsgenoten in Europa. We hebben niet zulke goeie ploegen, er is geen degelijke infrastructuur. Maar mij is het dus gelukt, en net daarom vind ik het belangrijk om heel vaak terug te keren: in Melen ben ik een rolmodel. Ik wil de mensen tonen dat ik hen niet vergeten ben, en de kinderen zeggen: ‘Kijk, het kán! Werk ervoor, geloof erin, en wie weet maak je op een dag zelf de oversteek.’ Elke vakantie breng ik hoop naar Melen.”


DE LOODZWARE RUGZAK


“Begin dit jaar heb ik mijn eerste Afrika Cup mogen spelen, en dan nog wel in Kameroen. Het was een wervelend volksfeest. Tegelijk voelde ik 27 miljoen paar ogen branden in mijn rug. De druk was zó groot. Alle selecties lagen gelogeerd in de hoofdstad, behalve wij. Ons hadden ze ergens verstopt, ver weg van alle aandacht, want iedereen wilde ons zien. Zodra onze bus ergens opdook, werden de mensen gek. Zelfs op onze trainingen stond het publiek vele rijen dik. In Afrika behoort Kameroen op elk toernooi sowieso tot de favorieten voor de eindzege, maar nu het in eigen land doorging… De verwachtingen waren buitensporig hoog.”


“We begonnen goed aan het toernooi. Toen was er het vreselijke drama van 25 januari. Kort voor onze achtste finale tegen de Comoren stierven acht mensen terwijl ze probeerden om het stadion binnen te geraken. Zo verschrikkelijk en triest. Maar voor en tijdens de wedstrijd waren wij er niet van op de hoogte. Het was pas na de match dat we berichtjes kregen over het drama, en de beelden te zien kregen. Toen drong tot ons door wat er was gebeurd. De hele ploeg was verschrikkelijk aangeslagen. (Schudt het hoofd) Mensen hebben hun leven verloren omdat ze naar ons wilden komen kijken, omdat ze ons kwamen aanmoedigen. De slachtoffers hadden onze vrienden of onze familieleden kunnen zijn. Dat besef sloop in de groep en kroop onder onze huid. De rest van het toernooi hebben we met een loodzware rugzak afgewerkt.”


“Ondanks de coronadreiging vroegen we om de families van de slachtoffers te mogen ontmoeten. Onze eigen families hebben we de hele Afrika Cup niet gezien, maar die mensen wilden we absoluut in de ogen kijken. De hele groep stond erop. Die ontmoeting zal me altijd bijblijven. Het was zo emotioneel: voor hen, uiteraard, maar ook voor ons.”


VERDRIET VERENIGT


“Na dat korte, intense moment van bezinning, raasde alles weer voort. Je maakt er het beste van in zo’n situatie. Voor jezelf, voor je land en natuurlijk voor de slachtoffers. We hadden hen allemaal zo graag die eindzege geschonken, maar Egypte besliste er in de halve finale anders over. Natuurlijk waren we allemaal ontzettend ontgoocheld, maar we hadden wel alles gegeven. Gevochten zoals onze bijnaam het voorschrijft: als Ontembare Leeuwen.”


“Stranden op een zucht van de finale, in eigen land: dat doet pijn, natuurlijk. Op mijn schouders voelde ik het gewicht van de teleurstelling van een heel land. Maar niemand kon ons iets kwalijk nemen. En weet je, ook in ontgoocheling zit schoonheid. Want ook verdriet verenigt.”


“Nu komt de Wereldbeker eraan. Daar staan, voor de ogen van de wereld, zal heel bijzonder zijn. Het doel is duidelijk: in een groep met Brazilië, Servië en Zwitserland willen we de eerste ronde overleven. Daar zullen we alles aan doen.”


DE TUSSENSTAND


“Nu komt de Wereldbeker eraan. Daar staan, voor de ogen van de wereld, zal heel bijzonder zijn. Het doel is duidelijk: in een groep met Brazilië, Servië en Zwitserland willen we de eerste ronde overleven. Daar zullen we alles aan doen.” “Ik ben dankbaar en gelukkig. Spelen voor KV Mechelen is nog mooier dan ik me had voorgesteld. We hebben een goeie ploeg, en er lopen hier zoveel warme mensen rond. Op één van mijn eerste dagen hadden mijn nieuwe ploegmaats me verteld dat de supporters hier fantastisch zijn. En toen kwam die eerste wedstrijd tegen Antwerp - we wonnen met 3-2. Dat féést toen! Ik wist meteen: hier zit ik goed.”


“Ik vond het ook heel bijzonder om tegen AA Gent te spelen, tegen Michael Ngadeu. Hij is mijn grote broer hier, een vriend op wie ik kan leunen. Toen Malinwa zich meldde, nam ik meteen contact op met hem. Hij was heel duidelijk: ‘Goeie ploeg, Mechelen. Niet twijfelen!’ En wat een match werd het ook, thuis tegen AA Gent in de reguliere competitie. Die 4-3, na een waanzinnige wedstrijd, beschouw ik samen met mijn debuut bij de nationale ploeg en mijn eerste partij in Europa als het voorlopige hoogtepunt in mijn carrière.”


“Waar ik verder nog van droom? Goh, als ik ooit Champions League zou kunnen spelen… Ja, dat zou sensationeel voelen. Maar hoeveel dromen kan een mens realiseren in één leven? Ik ben 24 jaar nu. Dit is wie ik ben, dit is waar ik sta. Er ís al zoveel geluk.”

 

Geel & Rood verschijnt 3 maal per seizoen (22-23) als hoogwaardig magazine vol spraakmakende interviews, tijdloze columns en vooral heel veel liefde voor de club van Geel & Rood en alles en iedereen die ermee te maken heeft.